De geboorte van woorden en gedichten

De geboorte van woorden en gedichten

Woorden, verhalen worden niet zo maar geboren. Een verhaal komt niet overal tot leven. Er zijn plekken waar verhalen en gedichten levensvatbaar zijn. En andere plaatsen waar zij ten dode zijn opgeschreven.

Waar ik die plaatsen vind van levensvatbare verhalen? Enkele streken waar verhalen aan de oppervlakte komen zijn de Pyreneeën, grote delen van Groot-Brittannië en Zuid-Oost Groningen. Vaak zijn het streken die op door mensen getrokken grenzen liggen. Alsof mensen de verhalen van de aarde willen scheiden. Het zijn streken waar verschillen in culturen, gewoontes en normen met elkaar in botsing komen. Plaatsen waar bomen (of bergen) naar de hemel reiken, de aarde een visioen heeft, je de hartslag, het ritme, van die aarde kunt voelen.

Er is nog een bijzondere plaats waar verhalen worden geboren: in de harten van mensen. Mensen die zien, horen en voelen waar het om gaat. Mensen die zich laten meevoeren op de stroom van het leven, op de levensstroom van de aarde.

Elk verhaal, elk gedicht dat is geboren, moet worden gekoesterd, geliefd, verteld en gedeeld. Alleen dan kan het groeien en tot wasdom komen.

Gedachten als sneeuwvlokken

Gedachten als sneeuwvlokken

Gedachten zijn als sneeuwvlokken
dwarrelend naar beneden,
vinden rust op het vers
omgeploegde veld.
Tekening in wit en zwart
en allengs alleen maar wit
tot alle geluid verstilt.

Gedachten zijn als sneeuwvlokken
dwarrelend naar beneden,
totdat ze – elders – neerdalen
op de tong van een kind.
Prikkelende vreugde-
kreten en twinkeling.

Gedachten worden door een
razende storm voortgejaagd,
opgestuwd tot ze achter een
hindernis blijven haken.
Samengeklonterd worden zij
met elkaar onherkenbaar.

Gedachten zijn als sneeuwvlokken
dwarrelend naar beneden,
smelten als sneeuw voor de zon.
Verdwijnen als het zonlicht
ze vangt. Voor altijd verdwenen,
opgegaan in hoger sferen.

Een waterig zonnetje in de herfst

Een waterig zonnetje in de herfst

Een wat’rig zonnetje
priemt door d’ochtendnevel.

Groene bladeren
wenden zich naar ’t licht.

Zichtbaar genietend
van de laatste warmte
zien zij naar beneden:

krullerige bruine blad’ren
zweven naar de grond.

Zich nog niet bewust
van haar eigen toekomst
reikt de boom naar de zon
en laat haar bladeren genieten

Mistige morgen

Mistige morgen

Op een miezerige, mistige morgen
bedrijven miezerige mannetjes
vanuit een mistig politiek idee
verzopen meningen.

Hun eigen miserabele omgeving
is de horizon geworden
van hun beperkte blikveld,
zet een land onder water.

Zij kijken niet verder, want zij kunnen niet,
zij dromen niet verder, want zij willen niet,
een visioen hebben, dat mogen zij niet.

Het volk vergeet
het magische moment
van die doorgebroken,
die zinderende zonnestraal.

De zomerzotheid die
aan die huilerige herfst voorafging,
is uit hun geheugen gewist.

Menselijkheid en mededogen
lossen zo op in een
mistige marginaliteit

Bloesem

Bloesem

Een zonnestraal breekt door
breekt de bloesem open,
die zich verbergt in sneeuw,
kou, schijnbare dood, knop.
Zonnestraal breekt de bloem

tot leven.

Bloesem, niet te zien,
maar toch aanwezig.
Lange tijd levend
onder die schijnbaar
doodse deken.

Bloesem, geduldig wachtend
op die ene zonnestraal.

Wanneer winter-zomer-winter wordt

Wanneer winter-zomer-winter wordt

Verdwaald in de tijd
weet ik niet meer of ik
naar de toekomst ga of
uit het verleden kom.

Ik weet alleen van nu.
Dit moment, deze pijn
doet er straks niet meer toe,
toen niet meer van belang.

Verwaaid in de tijd
weet ik niet van nu, straks.
Toekomst en verleden
beïnvloeden mij niet meer.