Reisverhalen

Reisverhalen

Op reis

Als mensen mij vragen waar ik ben geweest, dan  vertel ik ze dat ik over vele zeeën heb gevaren, heb ervaren hoe onstuimig zij is en de angst van de bemanning dat ze om zou komen. Ik vertel ze dat ik het zand tussen mijn tenen op het strand heb gevoeld en dat ik bergen heb beklommen. Ik vertel ze dat ik schier onoverbrugbare ravijnen heb gezien, maar ik vertel ze ook dat ik op de rug van een kameel door de woestijn ben getrokken. Tot slot vertel ik dat ik in de peilloze diepten van talloze meren heb gekeken.

Als ze mij dan vragen wie ik heb ontmoet, dan vertel ik ze van het vrouwtje aan de rand van het bos die tijdens haar leven verhalen verzamelt en deze bewaart. Zo af en toe raakt ze een verhaal kwijt, maar als ze haar plek vindt om te wonen, dan deelt zij haar verhalen uit, helende verhalen, tot ze weer verdwijnt, met haar doosje verhalen. Ik vertel ze over de oude visser halverwege de bergtop  die met zijn oude, bijna versleten visnet verhalen vangt. Ik heb aan zijn vuur gezeten, met hem gegeten en hem een verhaal verteld, waarop hij me mijn verhaal vertelde.

Ik vertel ze over de ontmoeting met de fee die vertelt over haar vader, de tovenaar en ik vertel ze over het meisje met het rode shirtje dat speelt in het goudgele koren op een zonovergoten zomerdag, waarna zij, handje in knuist, al babbelend met haar vader naar huis toe gaat. Ik vertel ze de avonturen van de koningszoon die kampioen boogschutter wilde worden en hoe hij van de nar leerde hoe hij altijd de roos kan raken. Ik vertel ze het tedere verhaal van het onderzoekende jongetje dat zich blijft verwonderen over de grote en kleine geheimen van het oerwoud waarvan hij deelgenoot wordt. Ik vertel ze over de dichter die op het strand zijn verzen schrijft, drinkend de getijden van het leven.

Als de mensen mij vragen “Wat heb je gehoord?”, dan vertel ik ze over de stilte …… en over hoe muziek de stilte vervolmaakt door het hart te raken.

Als de mensen mij vragen wat het indrukwekkendste is dat ik heb gezien, dan vertel ik over licht en donker. Het licht, waarvan maar nauwelijks iets nodig is om het donker te verdrijven. Maar dat er zo ongelooflijk, onbestaanbaar veel duisternis nodig is om het licht teniet te doen.

Als ze mij vragen wat ik met de tijd heb gedaan, vertel ik ze over het horloge dat ik kreeg van mijn lief bij de geboorte van mijn eerste kind, opdat wij desondanks tijd blijven vinden voor onze liefde.

Als ze mij vragen wat ik van mijn reizen heb meegenomen, vertel ik ze over het steentje dat ik op mijn hart bewaar. Het steentje dat glanst ondanks de breuklijnen van het leven.

Als de mensen dit alles hebben gehoord en mij verbaasd vragen waarom ik ben teruggekomen, dan glimlach ik slechts en zeg hen dat dat hún illusie is.

Waarheid

Sinds ik op reis ben geweest, wil ik alleen maar slapen. Ik wijt het aan mijn ziekte, een ontembaar verlangen te vluchten voor de werkelijkheid en weg te zijn vanwaar ik ben. Altijd maar verder en nooit thuis. Te horen waar anderen zijn geweest en te verdrinken in hun leven en hun verhalen. Ik kan dat niet, ik wordt gekluisterd aan mijn stoel, aan mijn bed en vlucht in mijn dromen, hopend daar aan te komen waar mijn hart rust vindt. Maar ook dat lukt mij niet. Mijn dromen worden wreed verstoord. Nooit rust, altijd alert zijn, attent zijn op het beroep dat op je wordt gedaan. En zo wordt mijn verlangen gevoed, steeds onbereikbaarder, onvindbaarder …

Was ik maar die visser hoog in de bergen. Hij hoort enkel het loeien van de wind rond zijn provisorische hutje, het kletteren van de regen op het dak, dat nog geen tekenen van lekkage vertoond, God zij dank. En zo af en toe een verdwaalde reiziger, die hij zijn rust kan bieden: een stuk brood, een slok wijn en wat warmte. In ruil ontvangt hij een blik op de wereld, hoe die was, hoe die wordt, verwordt. Hoe die door hem geliefde wereld ten onder gaat. Niet fysiek ten onder, daarvoor is de wereld te sterk. Maar hoe het menselijk aandeel, het menselijk leven ten onder gaat.

Hij zit daar veilig, hoog boven de onmenselijkheid verheven op het dak van de wereld en kan vanaf zijn drempel ver zien: tot over de volgende bergtoppen bij helder weer, of diep in de ziel van de verdwaalde reiziger als het blikveld beperkt is. Als de wolken zo laag hangen dat je geen hand meer voor ogen ziet, wordt het verblijf van die reiziger verlengd, zo ging het altijd en zo zal het blijven gaan. Dat is zo zeker als de hartslag van het leven: geen zicht biedt alle zicht.

Af en toe gaat hij zelf naar beneden, zelden echter. Om zijn noodzakelijke voorraden aan te vullen. Vaker echter laat de hem bezoekende reiziger, nadat hij hem diens verhaal heeft verteld, veel van zijn bagage – en voedsel – achter. Alleen met het allernoodzakelijkste voor zijn verdere reis. Alsof de reizigers zich bij de visser pas realiseren hoeveel overbodige ballast zij meesjouwen, elke berg op … en af. In het begin verbaasde dat de visser, maar allengs raakte hij eraan gewend dat hij voedsel en bagage van die langstrekkende reizigers krijgt.

Een enkele keer komt zo’n reiziger nogmaals langs, op zijn terugweg, andere nog vreemdere verhalen met zich meetorsend. Het viel de visser op dat zij altijd, nou ja, altijd als je over een enkeling spreekt, met lichte tred liepen en lichte, verziende ogen hebben gekregen. Alsof zij de waarheid, hun waarheid hebben ontmoet en in het gezicht hebben gezien. Meer dan dat, in de ziel van hun hart hadden gezien en zo hun waarheid hebben ontdekt. Een waarheid waarvan het verhaal van de visser in de eerste ontmoeting slechts een eerste trede was.

De visser vraagt dan of zij hun achtergelaten spullen weer terug willen hebben, spullen die hij zo zorgvuldig heeft bewaard. Maar nee, nooit was er één geweest die een claim legde op de weggegeven bezittingen. Zij gingen altijd voort met een opgeruimd hart, nadat zij de visser lieten delen in hun ervaringen. De visser wiens verhaal zij hem vertelden.

Ik wilde dat ik die visser was, maar geen kennis, geen waarheid komt zonder pijn. Zolang ik die van de visser niet ken, niet heb doorleefd zal ik hem nooit kunnen zijn en blijf ik hier in mijn stoel, gekluisterd aan mijn verlangen. Oh, hoe daaraan te ontsnappen, de stap te zetten naar het dak van de wereld, naar het onbelemmerde uitzicht op de waarheid diep in de ziel van mensen?

Weer op weg

Vannacht heb ik de beslissing genomen: ik ga weg. Ik trek verder en zal deze plaats, deze heerlijke plaats aan de rand van het bos achter mij laten. Ondanks dat ik hier gedurende lange jaren mijn bestemming heb gevonden, weet ik dat ik verder moet. Weg moet van deze aardige mensen in het dorp hier dichtbij. Zij beginnen mij al te zeer als onderdeel van hun leven, hun problemen maar vooral van hun oplossingen te zien. Ik hoor daarbij, zoals het lieflijke huisje waarin ik woon, met de altijd naar kruiden geurende kookplaats, bij de bosrand hoort. Als mijn ‘dorpsgenoten’ een vraag hebben, zich niet goed voelen of ruzie maken, gebeurt het inmiddels maar al te vaak dat zij op een dag op mijn deur kloppen en mijn raad vragen: “Ga maar naar de wijze Sarah aan de rand van het bos.” is een gevleugeld woord geworden in het dorp. Ach wat,  ik liet ze alleen maar in de diepte van hun eigen ziel kijken, ze daarmee laten realiseren dat als zij deel van hun eigen vraag zijn, zij ook een deel van hun oplossing zijn. Ik heb ze verder laten kijken dan hun eigen beperktheid, hun eigen ingedachte, de zichzelf opgelegde grenzen. Hun blik heb ik gericht op henzelf in de relatie tot de ander. De ander die ze in het gezicht, in het hart willen zien.

Ze gingen altijd verkwikt en fier lopend weer terug naar huis, gesterkt door een kom thee en hun levensverhaal. Ik kan merken, zien, dat ze beter kunnen kijken en een helderder blik hebben. Jarenlang dacht ik dat dit voor mij voldoende was, genoegdoening te scheppen in die helderder blik en hen zo te laten gaan. Nu realiseer ik mij dat ik zelf tekort ben gekomen: ik heb verhalen, levenskracht verloren, mijn eigen verhaal niet meer gehoord. Hun aanvankelijke beperkte grenzen zijn begonnen mij hoe langer hoe meer in te sluiten. Waar ik hen bevrijdde, voel ik mij tegelijkertijd meer en meer hun gevangene worden, hun beperktheid op mij overslaan. De lucht schijnt mij niet meer zo helder toe als vanouds, de kruiden die ik nodig heb zijn steeds moeilijker te vinden. Toen ik mij vannacht realiseerde dat het slechts mijn blik is die verstart, mijn hart is dat leeg raakt, wist ik dat ik moet gaan. Zoals vanouds weer op weg, trekkend langs de aderen van de wereld en mensen ontmoeten wier verhalen wij delen, mensen die mij mijn verhaal vertellen en ik het hunne.
Eindelijk weer eens een verhaal te horen, gevuld te worden met vreemde ervaringen, vergezichten vanaf het dak van de wereld, te kunnen kijken in de diepte van schijnbaar rimpelloze meren, wat verlang ik daarnaar. Te gaan, alleen, met al die mensen bij me die hun leven, hun hart met mij hebben gedeeld. Wat heb ik dat gemist. Hoe kon ik het ooit niet missen? Ik weet het niet. Zit er dan nog een diepere laag onder de diepste diepten van mijn ziel? Zoals er in de diepste diepten van het meer nog een bodem is, waarin zich allerlei verborgen leven afspeelt.

Ik ga, geen afscheid. Aan die dwingelandij en beperking wil ik niet toegeven nu ik mijn beslissing eenmaal heb genomen. Het enige dat ik meeneem is wat brood, wat water en mijn buideltje met mijn resterende verhalen. Maar die wegen niets, maken juist dat ik lichter loop en sneller vooruit kom.
Een laatste blik om mij heen als ik de deur achter mij sluit: wat helder is de dag, hoe verwachtingsvol knipoogt het pad mij tegemoet.

Vuur en brood

Onderweg kom ik andere reizigers tegen waarmee ik vuur en brood deel. En leer ik hen kennen en doorgronden, niet alleen door het delen van warmte en voedsel, niet alleen door het delen van elkaars belevenissen, raadgevingen en verhalen, maar vooral door elkaar aan te zien. In de ogen, door de ogen heen te zien, zonder woorden. In stilte, als je de woorden, zonder dat die worden uitgesproken, verstaat en begrijpt.

Zo heb ik vele verhalen gehoord, vele verhalen verteld en weet ik mij verbonden met deze andere reizigers, en zij zich met mij. Wij weten van elkaar, waar wij ook zijn. Wij weten dat wij ook een beroep kunnen doen op elkaar, waar wij ook zijn. Afstand speelt geen  rol, louter de verbondenheid, die wij weten en dagelijks ervaren.

Dichter op het strand

Het meest markante verhaal dat mij van een avond van vuur en brood is bijgebleven is het verhaal van die dichter op het strand. Het werd verteld door een grote, door het reizen getekende man, Noran. Aan alles kon je zien dat hij vreemde dingen had gezien, ver weg was geweest en talloze ontberingen en gevaren had doorstaan. Nadat wij hadden mogen genieten van een rugzak vol praktische tips voor hen die alleen reizen, kwam hij met zijn verhaal.

Op het strand lopend, voel ik dat de aflandige wind de geur van hyacinten meevoert. De hyacinten waarvan ik nu weet dat die in de velden achter de duinen in grote getale bloeien, paars, wit en roze.
Mijn laarzen heb ik uit gedaan en over mijn rug gezwiept. Ik wil het zand onder mijn voeten voelen. Het zand dat vele gedaanten kent, ook al is het op zo’n strand overal hetzelfde zand. Het harde, kruimige zand dat met zijn koude natheid tussen mijn tenen blijft plakken. Het hete, droge zand dat in wolkjes opstuift bij elke stap van mijn weg. Het warrelige zand dat om mijn benen heen spoelt bij het breken van de golven.

Het strand is eindeloos, eindeloos en verlaten. Hoever ik ook kijk, ik zie geen mens. Niet achter mij, waar ik vandaan kom, maar ook niet voor mij waar ik naar toe ga, naar toe moet. Ook de zee draagt geen schip, geen mast priemt in de verte haar vinger de lucht in. Het is kaal, alles is egaal. De weeë geur van de wind bewijst mij echter dat er toch heel dichtbij leven moet zijn. Als hyacinten op een rijtje groeien dan ligt menselijk ingrijpen voor de hand.

Het krijsen van de meeuwen is het enige dat mij stoort. Maar eigenlijk stoor ik hen als ik tussen ze door loop en zij, uit angst, opvliegen van hun heerlijke, aangespoelde maaltje. De schelpen knisperen onder mijn voeten en kondigen mijn komst al bij hen aan, zodat zij nog net tijd hebben de laatste heerlijkheid uit de schelpen te pulken of deze mee te nemen in hun vlucht.

Scheermessen, zo noemden wij ze als kind. Toen ik klein was, waren ze een zeldzaamheid. Als je er één had, stond je in de klas in hoog aanzien. Als je er twee had, dan verdrongen de anderen zich om je heen om hun ruilwaar aan te bieden. Om zo ook te stijgen in aanzien, mee te liften op jouw positie. Moet je nu zien, amper een gewone schelp te vinden tussen deze bergen scheermessen. Tijden veranderen, schelpen dus ook. De zee voldoet blijkbaar aan de behoefte van kinderen, maar dan wel in zo overweldigende mate dat het aanzien verdwijnt. Kom er nu maar eens om als je zegt dat je een scheermes wilt ruilen. Je wordt meewarig aangekeken en min of meer als paria verstoten.
Al deze gedachten naar vroeger kindertijd vormen de cadans, het ritme van mijn lopen. Alsof ik door mijn kindertijd heen moet gaan om hier te komen.

Heel ver weg zie ik iets bij de vloedlijn, een klein stipje begeeft zich van zee naar duin. Bij de vloedlijn blijft iets achter, maar de zon verhindert mij te zien wat of wie het zijn. Als ik echter het ritme van mijn passen blijf volgen, kom ik er wel. Hoef ik mij er niet nu al druk over te maken.
Uiteindelijk kom ik bij een oude houten tafel aan. Twee poten staan in het water, de vloed spoelt er bij elke golfslag omheen en trekt twee voren in het zand. De stoel mist een poot en heeft nog nauwelijks een zitting. Een glas halfvol water zorgt er voor dat het papier niet wegwaait. Ik kijk wat er staat geschreven.

Water om te leven
breekt op de dood
geeft leven aan de dood
als je drinkt, zul je leven.

De zilte zoutheid van de zee
drinkt de getijden van het leven
breekt de golven van de dood
het zout der aarde, uit de zee

Er staat een grote kras doorheen, alsof de schrijver worstelt met wat hij wil zeggen, wat hij onder woorden wil brengen. Als ik een slokje uit het glas neem, herken ik het dilemma van de schrijver: het water is brak. Het is ook mijn dilemma, mijn strijd. Mijn verlangen, maar tegelijkertijd en daarmee ook mijn vlucht.

Voetstappen in het zand leiden van de tafel naar het duin, over het duin. Welke richting zal ik gaan? Zal ik de uitnodiging van de voetstappen volgen, of verder gaan langs de golven, de stilte weer in? Een laatste blik op het gedicht doet mij besluiten deze zonderling op te zoeken.

Ik heb hem gevonden en vele verzen met hem uitgewisseld. Zoals ik vanavond verhalen en ervaringen met jullie deel.

De ogen van deze reiziger zie ik langzaam terug komen. Het is een lange reis van zijn ontmoeting met die dichter naar ons inmiddels nog slechts gloeiende vuur. Zoveel poëtische woorden zou ik niet hebben gezocht achter zijn nuchtere daadkracht.

Droom

De intensiteit van zo’n verhaal aan het vuur zet zich voort in mijn dromen. Daar zag ik haar dansen, in het goudgele korenveld. Ik herken haar gelijk aan haar rode shirtje. Zoals Mathilde een rood shirtje droeg, kon en deed geen ander dat. Haar vriendjes en vriendinnetjes waren haar die middag komen ophalen. ‘Mathilde, kom je mee naar het korenveld aan de rand van het bos, spelen?’ Ze gingen daar vaak naar toe. Het mocht ook van de boer, spelen in dat voor hem verloren stukje korenveld. En ’t was ook zo’n mooi plekje, precies tegen  de rand van het bos aan. Uren, middagen waren ze er al geweest, deze mooie zomer. Wat ze er speelden? Wat spelen kinderen in het korenveld, in een bos? Ze deden alles wat hun fantasie maar toeliet en waren gelukkig.
Natuurlijk ging ze mee en terwijl ze naar buiten stormde riep haar moeder haar nog na dat ze wel op tijd thuis moest zijn, want …. De rest wat zij zei ging verloren, omdat ze al buiten was, geintjes maken met haar vriendjes en vriendinnetjes en druk verzinnen wat ze die middag zouden gaan doen.

’t Was wel een bijzondere middag. Dat zag ze al gelijk toen ze buiten kwam. Het licht scheen haar verwachtingsvol tegemoet en de lucht was nog nooit zo helder geweest. Ze zoog deze middag in met volle teugen.

Uiteindelijk gingen ze verstoppertje spelen. De anderen verstopten zich in het bos, maar Mathilde liep het korenveld in. Daar, juist buiten de cirkel van hun door de boer toegemeten speelgebied was het koren zoveel dichter. Als zij daar ging liggen, dan zag niemand haar meer. Zij rook de aarde, de geur van rijpe korenhalmen. Ze verdronk in het gouden licht. In de verte hoorde zij de anderen gillen als ze werden gevonden, maar zij wist dat niemand haar hier zou vinden als ze zich stil hield.
Opeens voelde zij een schaduw haar wang strelen. Zij stond op en tuurde rond om de anderen te vinden. De zon stond al veel lager. Was het dan al zo laat? Ze zag niemand meer, behalve haar vader die vanuit de verte kwam aanlopen, haar naam roepend. Toen hij bij haar was, begon zij honderduit te vertellen over haar middag, wat zij hadden gedaan en beleefd. Wat voor een bijzondere middag dit was geweest. En haar vader, die met grote stappen naast haar liep, ging mee in haar belevenissen. Zo liepen zij naar huis terug, haar handje in zijn grote knuist, Mathilde al kwebbelend en haar vader die met belangstelling haar met een vraag tot verder vertellen uitnodigde.

En hoe gaat het met dromen? Deze houden altijd plotseling op, ook als het einde van het verhaal nog niet in zicht is. Maar ik weet dat ik nog eens over Mathilde zal dromen en dan zal zien hoe zij en haar vader thuiskomen. Aan de blik in hun ogen weet ik dan dat zij elkaars geheim hebben gedeeld en kennen.

Een ontmoeting

Op een dag heb ik eindelijk de uitlopers van de bergketen in de verte bereikt. Bergen waarvan de toppen mij roepen. Na de eerste lichte heuvels en dalen, wordt de omgeving ruwer, woester. Minder van de door mij geliefde bomen die mij doen denken aan mijn huisje aan de rand van het bos. Nog steeds noem ik het ‘mijn’ huisje, hoewel ik het destijds leeg en onbewoond heb aangetroffen en onlangs ook weer leeg en onbewoond heb achtergelaten. Nooit heeft iemand uit het dorp mij gevraagd of ik niet wilde opkrassen. Nooit heb ik iemand hoeven vragen of ik daar wel zou mogen wonen. En hoeveel ik daarvoor dan zou moeten betalen. Vandaar waarschijnlijk ‘mijn’ huisje. Maar inmiddels heb ik het verlaten, definitief, en zal het wel door een ander in gebruik zijn genomen.

Na het verdwijnen van de bomen, verdwijnen langzamerhand ook de struiken. Als ik schaduw wil, dan moet ik een overhangend rotsblok zien te vinden of hopen dat ik aan de goede kant van de berg loop. De hitte van de dag staat in schril contrast met de kou van de nacht. Goed voorzien ben ik echter deze tocht de bergen in begonnen. In één van de dorpen heb ik mijn voorraden op peil gebracht en de raad van velen opgevolgd om allerhande zaken mee te nemen, nuttige zaken voor diverse situaties op mijn tocht naar onherbergzame toppen. Het enige nadeel is dat ik mijzelf bijna een ongeluk sjouw onder de brandende zon: de warmte slaat als een boemerang op mij terug vanwege de vele bagage die ik met mij meetors. Maar als ik mij in de bergen ’s nachts in mijn deken rol, ben ik er weer dankbaar voor dat ik warm kan blijven.
Desalniettemin wens ik na drie dagen lijden, dat ik toch minder had meegenomen. Maar ik heb de beslissing genomen met mijn aankopen en nu laat ik mijn duur betaalde spullen niet achter, midden in de wildernis.

Onverwacht, na een scherpe bocht in het nauwelijks zichtbare pad, stuit ik op een kleine kom waar ik aan het eind een hutje zie. Tot mijn verbazing zit voor het hutje een oude, zonverbrande grijsaard een visnet te knopen. Ik kan niet passeren, zonder hem te vragen wat hij daar aan het doen is. Of beter, waarom hij in een omgeving waar in de verste verte geen zee te bekennen is, zijn visnet aan het repareren is.
“Je bent moe”, zegt hij, “want je torst een zware last en je hebt te weinig meegenomen. Ga zitten, warm je dadelijk aan mijn vuur als de nacht valt, dan maak ik wat te eten. Deel mijn brood, drink mijn wijn en vertel mij wat je zoekt. Dan vertel ik jou wat jij wilt weten en geef je wat je nodig hebt.” Zijn uitnodigende blik doet mij al door de knieën zakken om een plek aan zijn vuur in te nemen, voordat mijn mond “Ja, bedankt.” heeft kunnen zeggen.

Het brood uit zijn hut is vers en geurig, de wijn is licht en flonkerend. De vragen over deze merkwaardige grijsaard stapelen zich bij mij op, maar onder het eten geeft hij geen gelegenheid tot vragen. Hij kijkt alleen maar en dwingt mij met zijn ogen tot concentratie op brood en wijn, op de intense beleving van smaak en geur.
Eindelijk verbreekt hij de stilte. “Morgen”, kondigt hij aan, “zal het brood je anders smaken, krijg je water om je dorst te lessen. Dan zal je verder gaan, verder kunnen. Nu is het tijd om te rusten, maak het je gemakkelijk, dan zal ik je vertellen wat je wilt weten.” Ik wil overeind schieten, maar een nauwelijks merkbaar handgebaar van de visser voorkomt dat mijn vragen losbarsten.

“Vroeger”, vervolgt hij, “was ik een visser. En met mijn scheepje en mijn visnetten, ving ik vissen. Veel vissen. Genoeg voor het hele dorp. Toen op een dag, een dag dat ik niet uit had moeten varen, scheurden mijn netten en mijn scheepje kon ik ternauwernood drijvende houden in de storm. Ik kwam wel thuis, maar vraag mij niet hoe, want ik weet het niet. Wat ik wel wist, is dat het mijn laatste vaart was geweest: ik zou nooit meer die wijde zee op gaan, nooit meer mijn netten uitwerpen en de vis in grote aantallen ophalen. Nooit meer kunnen voorzien in de vis voor mijn dorp. Toen dat tot mij doordrong, pakte ik een aantal van de gescheurde netten en trok ik weg. Weg van de zee, weg van de mensen voor wie ik had gezorgd door hun vis te vangen. Uiteindelijk belandde ik hier, na vele omzwervingen.”
Hij zwijgt, ruimte latend voor mijn eigen gedachten, voor de volgende onuitgesproken vraag.

“Jij bent op weg”, verbreekt hij na een poosje de stilte, “zoals je altijd op weg bent geweest. Zoekend, vindend, gevend, helend, stervend, … tenzij …. Vroeger trok je langs de paden en de aderen van de wereld en verzamelde je je verhalen. Je bewaart ze in dat buideltje op je hart. Je raakt ze aan, zij raken jou aan. Soms raak je er eentje kwijt, andere keren vond je er op de meest onverwachte plaatsen. Uiteindelijk kwam je op je bestemming, dacht je. In dat huisje aan de rand van het bos. Na verloop van tijd deelde jij je helende verhalen aan de mensen in het dorp. Hoe ik dat weet? Ik heb het gezien, in je ogen.
Maar je werd weer onrustig en was bezig te sterven. Je realiseerde je dat, dat inzicht had je: ‘wie zorgt er voor jou als jij voor iedereen moet zorgen?’ Daarop had je geen antwoord, ook niet in je buideltje dat leger en leger begon te raken. Daarom ging je weer op pad. Ook dat heb ik gezien. Maar Sarah wat zoek je? Wat moet je vinden?”
Het is weer lange tijd stil, een stilte die alleen wordt gevuld door de lijn die onze ogen met elkaar verbindt. Die van de oude visser met die van mij, het ‘kruidenvrouwtje’, Sarah.

Tot slot zei hij, starend in de verte over de bergkammen naar de met sterren bezaaide lucht: “Morgen loop je verder het pad af dat je bent ingeslagen. Je torst een zware last en je hebt te weinig meegenomen. Daarom krijg je van mij een olielamp mee. Die zal je nodig hebben voor je reis onder de bergen door, maar zelfs dat is ballast als je hebt gevonden wat je nodig hebt. Volg je hart en bewaar wat je vindt, Sarah. Slaap zacht en droom de vrede.”

In het hart van de berg

Uiteindelijk vind ik de ingang van de grot, naar het hart van de berg. Ik huiver. Hoewel het pad hier naar toe amper zichtbaar was, was het er elke keer toch weer. Hoewel er altijd dreigingen op mij neerkeken, kon ik deze weerstaan door met gestage tred door te lopen. Een groot deel van mijn zo kort geleden aangeschafte bagage heb ik bij de visser achter gelaten. Hij vroeg mij deze zorgvuldig op te ruimen in wat hij noemde ‘zijn bewaarplaats’. Daar legde ik de overtollige ballast neer, naast wat tot mijn stomme verbazing de bagage van veel van mijn voorgangers bleek te zijn. De visser keek mij zwijgend aan. Geen woord was over zijn lippen gekomen toen hij mij de berg bagage zag uitsplitsen in twee stapels. Een kleinere met hetgeen ik hoogst noodzakelijk vond en een grotere, waarin vrijwel al mijn recente aankopen verdwenen. Hij moet zich elke keer wel verwonderen over zijn gasten en hun beslissingen.
Een korte blik om mij heen, vanwaar ik ben gekomen. Toen pakte ik mijn olielamp, wierp een blik op de verhalenbuidel die ik nog steeds koester, trek de rugzak strak om mijn schouders en stap de drempel van de duisternis in.

In het hart van de berg is het stil, altijd stil. Doodstil. En bovendien donker, een totale duisternis heerst er. Er is geen geluid, geen licht, behalve dat wat je zelf meebrengt, je zelf bent. Hierdoor realiseer ik mij dat ik nu echt op mijzelf ben teruggeworpen. Mij niet meer kan verschuilen achter … of een beroep kan doen op. Helemaal alleen met mijzelf en alle bagage die ik in het leven heb verzameld. Daarmee zal ik het moeten doen. Niets meer, maar zeker ook niets minder. Alles wat ik heb bewaard en niet bij de visser heb achter gelaten, kan ik gebruiken, dient een doel.

Als ik lange tijd de verborgen paden in de berg ben afgedaald, de duisternis volledig is geworden en de stilte overdonderend, kom ik in een ruimte waar mijn lamp te klein voor is. De rust die mijn voeten ervaren is intens en ik ga zitten, liggen om deze rust te absorberen, op te nemen, door te laten dringen tot de kleinste vezel van mijn ik. Altijd als ik lig, leg ik mijn handen op mijn hart. Contact tussen zijn, voelen, leven en doen. Intense rust straalt door tot wezenlijke beweging. Contact tussen buiten en binnen, tussen jou, de ander en mijzelf. Mijn handen als voelsprieten van het hart, van de ziel. Nu met elkaar verbonden tot een leven gevende cirkel. Een cirkel die jou en alle anderen omsluit, opneemt. Waarin jij en ik wij worden.

Toen, op het moment dat ik diep in het hart van de berg was afgedaald en mijn lamp nauwelijks meer licht gaf, realiseerde ik mij dat ik zelf de berg, de grot in de berg voor de mensen uit het dorp was geweest. Ik leidde hen naar beneden, de diepte in en liet hen kijken in de diepte van hun eigen ziel, zoals ik nu zelf in de diepste diepte van de berg was aangekomen. Ik was hun lamp. Hoe blind was ik geweest, dat ik dat niet had gezien, niet eerder had gezien? Op het moment dat dit inzicht tot mij doordrong, begreep ik ook dat mijn van de visser gekregen lamp niet noodzakelijk meer is, zelfs niet in het hart van de berg. Ik begreep dat wat zich in mijn hoofd – en hart – afspeelt, de muziek in mijn hoofd, hier door de zalen galmt. En dat het licht in mijn hart flonkerend de stenen aan de plafonds laat oplichten, als sterren. Genoeg licht om mijn tocht te kunnen vervolgen. Zonder lamp, zonder ballast. Gedragen op de vleugels van het in deze diepte verkregen inzicht, leven, visioen.

Genoeg begrip, zicht om het verhaal van de visser zich te zien ontvouwen. Een verhaal dat een leven omspant, maar nu aan zijn laatste episode toe is. Ik realiseer mij de rol die ik daarin heb. Het verhaal van de visser zal ik hem moeten vertellen. Hem duidelijk maken, hem het licht, de vreugde van deze ontdekking te laten ervaren. Van een plek die hij nooit heeft gezien. Hem deelgenoot maken van andere plaatsen, tijden, vergezichten. Hij die anderen vele verhalen heeft verteld, hem nu zijn verhaal te vertellen. Hem die veel en ver heeft gezien in de verte over de toppen, gezien in de diepten van de ogen van de reizigers aan zijn vuur. Ik zal het hem vertellen, wat er ook van komt. Voor hem, voor mij.
Mijn verlichte voeten vinden de weg naar buiten. De weg terug naar zijn brandende vuur en zijn geurige brood.

Terug

Terug bij de visser zit ik weer aan zijn vuur. Toen ik kwam aanlopen en ging zitten, brandden zijn ogen van verlangen mij zijn talloze vragen te stellen. Maar met dezelfde subtiele handbeweging als hij destijds maakte tijdens onze eerste ontmoeting stopte ik zijn woorden. Ik vroeg hem vanavond weer brood, vuur en wijn met mij te delen. Het brood van deze avond, omdat het morgen anders smaakt.

“Ik ben moe” zeg ik, “want ik heb ver gelopen en veel gezien. Het verhaal dat ik jou ga vertellen is een zware last voor mij. Je hebt nog te weinig, uren te gaan. Ga zitten, warm je hart dadelijk aan het vuur als de nacht valt en deel het eten dat wij hebben. Deel het brood, drink de wijn en dan vertel ik je wat je zoekt. Dan vertel ik jou wat jij moet weten en geef je wat je nodig hebt.” Zijn hulpeloze blik bevestigt hetgeen ik al lang weet, al sinds ik onder de bergen was. Wederom zijn zijn ogen en de mijne met een onzichtbare draad verbonden.

Het brood uit zijn hut is vers en geurig, de wijn is licht en flonkerend. In zijn ogen zie ik de vragen van deze merkwaardige grijsaard zich opstapelen. Maar onder het eten geef ik hem geen gelegenheid tot praten, tot het stellen van de vragen. Ik kijk alleen maar en dwing hem met mijn ogen tot concentratie op brood en wijn, op de intense beleving van smaak en geur. Zijn laatste maaltijd.

Dan begin ik te vertellen.
“Vroeger was je visser. Je ving vissen. Veel vissen. Genoeg voor het hele dorp. Omdat je na een dramatische gebeurtenis, … voor jezelf …, van mening was dat je nooit meer zou kunnen voorzien in de vis voor je dorp werd je na vele omzwervingen bergbewoner. Je knoopt je netten om houvast te houden met je oorsprong, je wezen, denk je. Structuur te geven aan je bestaan, de mazen te begrenzen en vast te zetten. Maar eigenlijk ben je geen van beide: je bent noch visser, noch bergbewoner. Je hoort niet thuis op de zee, je hoort niet thuis in de bergen. Ik heb gezien waar jouw plaats is. En jij weet het, maar je wilt het niet. Je wilt het niet weten, niet accepteren.
Laat mij nu jouw verhaal vertellen. Maak het je gemakkelijk, dan zal ik je vertellen wat je eigenlijk al weet.

Verder dan anders

Hij gaat verder dan anders op deze dag. Niet dat hij anders nooit verder ging, maar nu is het anders, verder, duidelijk een grens over, zo weet hij. De grens over?
Hij, zeven jaar oud, ongeveer, kon vandaag bij het hutje in het dorp zijn draai niet vinden, was onrustig. Alsof er iets in de lucht hing dat er uit moest vallen. Zijn moeder liep hij in de weg. Leeftijdgenootjes waren er niet, allang niet meer. Niet alleen vandaag miste hij ze, maar al eerder. Ze waren weggetrokken uit deze leefgemeenschap zonder toekomst middenin het woud. Maar hij en zijn moeder waren achtergebleven, omdat zijn moeder niet kon reizen. Alleen maar wat kon schuifelen rond het hutje dat zij zo goed en zo kwaad als het ging overeind hielden.

Als hij niets anders heeft te doen, trekt hij het woud in. Daar leert hij van de bomen, hele grote met een traag kloppend hart. Hij voelt de levenssappen van de pilaren in het woud traag naar de bladeren in de toppen stromen, daar waar het donker van het woud het licht van de zon beroert. En hij voelt het vluchtige geritsel van het verwachtingsvolle groen.
Hij leert van de dieren. De grote vogels in de lucht die de zwaartekracht en door mensen gestelde grenzen tarten. En hoe zij bewegingloos toch komen waar zij willen zijn, waar hun bestemming ligt. Ook het gewriemel van de insecten verwondert hem, elke keer weer als hij de schijnbaar doelgerichte doelloosheid ziet. Vooral bij de mieren. Zo duidelijk bezig met wat zij moeten doen zonder enig besef te hebben van het waarom en het waartoe, van de ‘hogere’ zin van hun bedrijvigheid. Zo zinvol doelloos. Zo doelloos zinvol.

In deze combinatie van hoog en laag, bewegend en toch niet verder komend, reikend naar het licht, maar bijna altijd in duisternis, wordt de samensmelting van de altijd en onmerkbaar aanwezige eenheid hem duidelijk. En zijn plaats? Liggend op de grond met de hartslag van de bomen nog in zijn vingers voelt hij het levensritme van de aarde, van het leven, van het zijn, in zijn andere werkelijke zijn. Daar waar zich afspeelt wat gebeurt, noodzakelijk is. Alleen maar de volgende hartslag die voortvloeit uit de vorige. Niets meer, omdat meer teveel en overbodig is.
Hij weet dat hij wezenlijk onderdeel kan zijn als hij dit doorleeft en accepteert. Meer dan dat, hierin ten onder, maar hierin ook op gaat.

Deze dag, als de druppels van het grote onweer nog tijden lang op zijn voorhoofd vallen, realiseert hij zich wat hij, nu hij dat weet, zal doen, moeten doen. Hij zal opgaan in het traag stijgende levenssap dat reikt naar het licht, naar de duikvlucht op zoek naar voedsel, altijd maar weer. Altijd deze immer terugkerende cyclus. Steeds maar weer en weer en weer. Maar hij realiseert zich ook dat het woud de enige plaats is die hem dat heeft kunnen leren. De berg is te kaal, te onherbergzaam. De zee al levend te vol met dood. Alleen het woud herbergt licht, donker, lucht, water, aarde, de hartslag van het leven in al haar schakeringen en variëteiten en nuances.

De oude visser was gaan liggen tijdens mijn verhaal. Zijn ogen weerkaatsen de laatste flakkeringen van het vuur. Niet meer zijn vuur. Dat brandt niet meer.
Ik sluit zijn ogen en blijf bij hem, samen met de talloze sterren en verhalen die wij zijn. Die wij samen zijn, samen hebben doorleefd en ervaren. Elkaars pijn, verlangen, hart, en onnoembaar veel meer dan dat.

In zo’n heldere nacht is geen duisternis, geen niets. Alleen maar alles wat geweest is en kan zijn. En ook is. Er is geen dood, alleen leven en verwachting van wat gaat komen, wat wordt beleefd. Het licht van de sterren is genoeg.

Bestemming

De sterren hebben hun boodschappen gezonden naar al de reisgenoten die eens gast waren van de oude visser, zijn vuur, brood en wijn hebben gedeeld. Hun ballast bij hem hebben achter gelaten en op hun reis hun waarheid hebben gevonden. Of tegen hun beperkingen, tegen de hun zichzelf opgelegde grenzen zijn aangelopen en niet meer verder kunnen. Maar ook zij komen, een laatste keer. Om nog een laatste mogelijkheid te grijpen hun grenzen over te kunnen steken, kracht daarvoor te vinden. Een glimp te zien van het verhaal dat voor hen in het verschiet ligt. En dit te grijpen. Als zij maar niet zo krampachtig hun toekomst zouden hebben nagestreefd, zouden zij zijn gekomen waar zij willen zijn. Misschien zien zij het toch nog, alsnog, op het laatste moment.

Ook de velen wiens verhalen ik heb gedeeld komen. Niet alleen om hem bij te staan, maar ook om mij toe te rusten voor mijn bestemming. Een bestemming waarvan ik mij nog nauwelijks bewust ben, mij die nog nauwelijks realiseer. Een plaats waartoe ik mij nog verre van in staat voel. Maar die ik, als donderslag op het laatste weerlichten ga uitvoeren. Als enige kan uitvoeren. Als enige mag uitvoeren. Een plaats die is opengevallen en als vanzelf zal worden gevuld.
Met een zekerheid die van het gezicht van de visser straalt, nog steeds straalt, weet ik dat dit mijn bestemming is, mijn lotsverbondenheid met het verhaal dat ik voor hem heb gezien, ervaren en doorleefd. Een verhaal waarin ik hem heb meegenomen en hij is meegegaan, hij zijn laatste reis heeft gemaakt, toch nog heeft gemaakt in de acceptatie van hetgeen hij al wist. In zijn aanvaarding, ligt mijn aanvaarding, in zijn verhaal, mijn bestemming, zijn reis.

Het geluid en de geur van de wind draagt onze gedachten, onze verbondenheid. De woorden van de dichter op het strand komen als vanzelf, zoals ook de anderen zijn gekomen.

Op draden
Door dromen gesponnen
Draaide ik mijn dans

Tegendraads als ik was
Wilde ik meer, verder
Voorbij de grenzen
Van het gesponnen web

Ik viel … lang en langzaam
Tot ik niet meer kon

Alleen maar stilte vond …

De wereld ligt voor ons open

De wereld ligt voor ons open

Ze is heel stilletjes tegenover mij gaan zitten terwijl ik even sliep. Ik heb niets gemerkt van haar komst. Met nog slaperige ogen bestudeer ik min of meer ongegeneerd haar gezicht dat een en al levenslust uitstraalt.
“Ik heb je maar lekker laten slapen”, zegt ze als ze mijn blik vangt, “Zo schattig”.
Ik voel mij allesbehalve schattig, meer uitgeleefd, uitgewoond, verteerd. Wel opvallend dat ze iets anders in mij ziet, dat ze mij niet ‘door-ziet’. Aan haar opbeurende woorden kan ik mij weer optrekken. Mijn blik glijdt van haar gezicht naar buiten. Daar trekken groene polders onder een zwaar bewolkte lucht in een snel tempo voorbij. In de weerspiegeling van het raam werp ik nog een blik op haar levenslustige gezicht. Gecombineerd met het beeld uit mijn ooghoeken zit er een dubbel levenslustige tweeling tegenover mij. De weerspiegeling lacht mij toe. Ze heeft mij door, lijken haar ogen wel te zeggen.

Opeens duwt ze een klein, opgepropt kledingstuk vlak onder mijn neus. “Weet je wat dit is?”, vraagt zij mij. Ik moet achterover leunen om te zien wat ze in haar hand heeft. Ik ontdek kleine strookjes stof, kanten koordjes, alles minimaal. Verbaasd, ontzet, kijk ik haar aan.
“Dat is toch niet .…?”
“Ja”, zegt ze olijk met het meest korte antwoord dat ik ken. Als ik blijf zwijgen, vervolgt ze “Ik wilde je schokken. En dat is gelukt”, besluit ze tevreden. En ze kijkt bijzonder tevreden naar mijn blijkbaar nog steeds ontzette blik. Terwijl ik nog steeds op zoek ben naar woorden om haar van repliek te dienen, onderbreekt ze mijn gedachten met de volgende schokkende mededeling, “Ik heb een mooi kutje”. Tegen deze levenslust ben ik niet bestand, zij treft mij als een mokerslag vol op de borst. Naar een antwoord snakkend, kijk ik hulpeloos naar buiten.

“Moet je jezelf eens zien. Zo schattig!”. Ze slaat mij volledig uit het lood. Zie ik er echt zo schattig uit of is dat haar stopwoordje om haar beperkte inlevingsvermogen te uiten?
Als ik enigszins op adem ben gekomen, weet ik hoe haar uitval naar mijn fundamenten te pareren. “Een mooi kutje is een belofte die je iemand in het vooruitzicht stelt. Je belooft iets waarvan het nog maar de vraag is of je het ook geeft, echt geeft. Een lekker kutje heeft die belofte ingelost, heeft jou gebracht wat je wilde geven. Het vervolmaakt het ‘mooie kutje’. Hoe zit dat bij jou? Heb jij ook een lekker kutje?”. Mijn directheid schokt haar nu op haar beurt. Ik zag dat ze de schermen achter haar ogen even sloot. Zo, die opmerking zit.
“Die zit”, zegt ze met weer open blik, “Ik had dat verdiend en je hebt gelijk. Sorry voor mijn onbeschaamdheid, maar ook dank je voor je reactie. Je bent helemaal niet schattig. Maar ik vind je wel lief.” Even valt er een stilte. “En ik heet José”, voegt ze er aan toe, haar hand ter begroeting naar mij uitstekend. Ik negeer haar hand en blijf haar aankijken, achter de grenzen van haar ogen. Ze beantwoordt mijn blik, onzeker van mijn reactie, licht uitdagend tegelijkertijd, alsof ze zich niet gewonnen wil geven. Nog niet. Dan eindelijk komen de juiste woorden over mijn lippen.
“Toen ik vanmorgen in deze trein stapte, was ik een prop papier. Stevig samengeperst, veel kreukels had ik daardoor. Jij hebt de prop uit elkaar gehaald, allesbehalve zachtzinnig. Er is hier en daar een scheurtje in het papier gekomen, maar je hebt mij ook weer gladgestreken. Met stevige hand, zodat er nu op het eerste gezicht weinig kreukels meer te zien zijn. ik moet jóu daarom bedanken. En ik heet trouwens Stephan”. Haar inmiddels naar beneden gezakte hand geeft mij de gelegenheid mij naar voren te buigen, haar hoofd tussen mijn handen te nemen en, voordat zij – en ik – weet wat er echt zal gebeuren, haar teder een kus op de mond te drukken. Ik leun weer achterover en met steelse blikken kijken wij elkaar aan, proberen elk te bevatten wat er is gebeurd sinds ik mijn ogen open deed. En wij knopen dan, eindelijk, echt een gesprek aan, wezenlijk geïnteresseerd in de ander.

Op het eindpunt van de trein lopen wij achter elkaar naar buiten, zij voorop. Logisch, dat past bij haar. Als ik op het perron stap maakt zij van mijn bewegingen gebruik om mij een vluchtige kus op de wang te drukken. Ze slaat haar arm om mij heen en wij lopen naar de uitgang van het station. Stevig ineengestrengeld loop ik nu met haar naar buiten. Ik ben van een verkreukelde ‘alleen-ik’ op deze reis een levende ‘wij-samen’ geworden. Zij heeft mij van de voorkamer van haar ziel met protserige prullaria meegenomen naar haar eigen vertrek dat tedere intimiteit uitstraalt.

De wereld ligt voor ons open.