De wereld ligt voor ons open

Ze is heel stilletjes tegenover mij gaan zitten terwijl ik even sliep. Ik heb niets gemerkt van haar komst. Met nog slaperige ogen bestudeer ik min of meer ongegeneerd haar gezicht dat een en al levenslust uitstraalt.
“Ik heb je maar lekker laten slapen”, zegt ze als ze mijn blik vangt, “Zo schattig”.
Ik voel mij allesbehalve schattig, meer uitgeleefd, uitgewoond, verteerd. Wel opvallend dat ze iets anders in mij ziet, dat ze mij niet ‘door-ziet’. Aan haar opbeurende woorden kan ik mij weer optrekken. Mijn blik glijdt van haar gezicht naar buiten. Daar trekken groene polders onder een zwaar bewolkte lucht in een snel tempo voorbij. In de weerspiegeling van het raam werp ik nog een blik op haar levenslustige gezicht. Gecombineerd met het beeld uit mijn ooghoeken zit er een dubbel levenslustige tweeling tegenover mij. De weerspiegeling lacht mij toe. Ze heeft mij door, lijken haar ogen wel te zeggen.

Opeens duwt ze een klein, opgepropt kledingstuk vlak onder mijn neus. “Weet je wat dit is?”, vraagt zij mij. Ik moet achterover leunen om te zien wat ze in haar hand heeft. Ik ontdek kleine strookjes stof, kanten koordjes, alles minimaal. Verbaasd, ontzet, kijk ik haar aan.
“Dat is toch niet .…?”
“Ja”, zegt ze olijk met het meest korte antwoord dat ik ken. Als ik blijf zwijgen, vervolgt ze “Ik wilde je schokken. En dat is gelukt”, besluit ze tevreden. En ze kijkt bijzonder tevreden naar mijn blijkbaar nog steeds ontzette blik. Terwijl ik nog steeds op zoek ben naar woorden om haar van repliek te dienen, onderbreekt ze mijn gedachten met de volgende schokkende mededeling, “Ik heb een mooi kutje”. Tegen deze levenslust ben ik niet bestand, zij treft mij als een mokerslag vol op de borst. Naar een antwoord snakkend, kijk ik hulpeloos naar buiten.

“Moet je jezelf eens zien. Zo schattig!”. Ze slaat mij volledig uit het lood. Zie ik er echt zo schattig uit of is dat haar stopwoordje om haar beperkte inlevingsvermogen te uiten?
Als ik enigszins op adem ben gekomen, weet ik hoe haar uitval naar mijn fundamenten te pareren. “Een mooi kutje is een belofte die je iemand in het vooruitzicht stelt. Je belooft iets waarvan het nog maar de vraag is of je het ook geeft, echt geeft. Een lekker kutje heeft die belofte ingelost, heeft jou gebracht wat je wilde geven. Het vervolmaakt het ‘mooie kutje’. Hoe zit dat bij jou? Heb jij ook een lekker kutje?”. Mijn directheid schokt haar nu op haar beurt. Ik zag dat ze de schermen achter haar ogen even sloot. Zo, die opmerking zit.
“Die zit”, zegt ze met weer open blik, “Ik had dat verdiend en je hebt gelijk. Sorry voor mijn onbeschaamdheid, maar ook dank je voor je reactie. Je bent helemaal niet schattig. Maar ik vind je wel lief.” Even valt er een stilte. “En ik heet José”, voegt ze er aan toe, haar hand ter begroeting naar mij uitstekend. Ik negeer haar hand en blijf haar aankijken, achter de grenzen van haar ogen. Ze beantwoordt mijn blik, onzeker van mijn reactie, licht uitdagend tegelijkertijd, alsof ze zich niet gewonnen wil geven. Nog niet. Dan eindelijk komen de juiste woorden over mijn lippen.
“Toen ik vanmorgen in deze trein stapte, was ik een prop papier. Stevig samengeperst, veel kreukels had ik daardoor. Jij hebt de prop uit elkaar gehaald, allesbehalve zachtzinnig. Er is hier en daar een scheurtje in het papier gekomen, maar je hebt mij ook weer gladgestreken. Met stevige hand, zodat er nu op het eerste gezicht weinig kreukels meer te zien zijn. ik moet jóu daarom bedanken. En ik heet trouwens Stephan”. Haar inmiddels naar beneden gezakte hand geeft mij de gelegenheid mij naar voren te buigen, haar hoofd tussen mijn handen te nemen en, voordat zij – en ik – weet wat er echt zal gebeuren, haar teder een kus op de mond te drukken. Ik leun weer achterover en met steelse blikken kijken wij elkaar aan, proberen elk te bevatten wat er is gebeurd sinds ik mijn ogen open deed. En wij knopen dan, eindelijk, echt een gesprek aan, wezenlijk geïnteresseerd in de ander.

Op het eindpunt van de trein lopen wij achter elkaar naar buiten, zij voorop. Logisch, dat past bij haar. Als ik op het perron stap maakt zij van mijn bewegingen gebruik om mij een vluchtige kus op de wang te drukken. Ze slaat haar arm om mij heen en wij lopen naar de uitgang van het station. Stevig ineengestrengeld loop ik nu met haar naar buiten. Ik ben van een verkreukelde ‘alleen-ik’ op deze reis een levende ‘wij-samen’ geworden. Zij heeft mij van de voorkamer van haar ziel met protserige prullaria meegenomen naar haar eigen vertrek dat tedere intimiteit uitstraalt.

De wereld ligt voor ons open.